sábado, 12 de marzo de 2011

Por quienes....

......hoy precisan de saber que no están solos.
Que muchos abrazamos vuestro dolor
con la esperanza de que sea menos duro vuestro caminar
entre muerte, destrucción.
Una Luz que nos hermana, un dolor que nos acerca
un murmullo universal.
Por ustedes enciendo una flama y elevo una oración.


Recados

miércoles, 29 de diciembre de 2010

Feliz Año 2011



Ha comenzado la cuenta regresiva. En breve le estaremos diciendo adiós a otro año. Un año que ha estado signado por acontecimientos trágicos y que parece querer ser duro hasta el fin. Esta noche, cuando comiencen a sonar las campanadas, detengámonos a pensar por un instante en lo que esperamos para el ciclo que vendrá.

Ciclo tras ciclo en los últimos minutos y por cada uva masticada apresuradamente, nos formularemos una lista de objetivos y buenos propósitos. Nuevamente intentaremos cumplir con algunos anhelos postergados, cambiar aspectos de nuestra vida que necesitan renovarse desde hace tiempo. Entre las burbujas del cava veremos brillar nuestras ilusiones.

Pero quizás la partida de este año nos ayude a reflexionar sobre nuestros deseos. Puede que al echar un vistazo a los meses que estamos dejando atrás, nuestro corazón sepa apreciar las cosas que importan y nuestras peticiones no se centren en cuestiones materiales.

Esas cosas sencillas que solemos olvidar y que nos dejan mejor sabor que el caviar: encontrarnos con aquellas personas que hemos distanciado con buenos amigos que no vemos desde hace tiempo, escuchar con cariño y atención nuestros padres o abuelos, no esperemos sus ausencias para saber cuanto tiempo perdimos; estar más cerca de nuestros hijos, saludar a esa persona que solemos ignorar, recordar a nuestros cónyuges cuánto los amamos, tomarle el gusto a estar vivos. Y luchar por aquella promesa que en un momento fue nuestro sueño inmediato.

Abrir la puerta a alguien que ciertamente sienta la soledad será un dulce que substituye cualquier otro requintado postre, no dejes para después esa llamada que pretendías hacer, pero que puede esperar. Abracemos la esperanza de que el estreno de un nuevo ciclo nos ofrezca días hermosos. Feliz Año para todos

lunes, 20 de diciembre de 2010

FELIZ NAVIDAD

Merry Christmas Comments and Graphics for MySpace, Tagged, Facebook


domingo, 12 de diciembre de 2010

Un hermoso tema.



Je hebt niets verdiend en je bent nog niet jarig
Je hebt weinig nodig, toch geef ik je iets
En of ik er ooit iets anders voor terug krijg
Dat geeft niet, ik geef jou mijn dromen voor niets

Mijn dromen zijn voller en mooier dan vroeger
Sinds ik jou zomaar opeens ergens zag
Ik ken je een week maar ik kan je al dromen
En dat doe ik dan ook iedere dag

Dromen die komen van heel diep van binnen
Geboren uit vreugde, geluk en verdriet
Een splinter verlangen, een deel van jezelf
Dat je meestal verstopt voordat iemand het ziet

Een droom voor een kind dat nooit was geboren
Als zijn ouders zich niet een keertje hadden vergist
Dat opgroeit en leert dat je leeft om te werken
En werkt tot hij merkt dat hij nog steeds iets mist

Dromen voor iemand die niet meer kan slapen
Een droom voor een man die zijn leven verslijt
In de strijd om de eerste de beste te wezen
Die alles al heeft, behalve nog tijd

Tijd voor de hazelaar, vroeg in het voorjaar
Een lichtgroene droom van een bloeiende boom
Dromen als druppels op vuurrode appels
Een tak staat in bloei in het huis waar ik woon

Geuren en kleuren versieren de wereld
Voor iemand die niet voor de werkelijkheid vlucht
Als de zon ondergaat ligt de hemel op aarde
En dansen de muggen heel hoog in de lucht

Je hebt niets verdiend en je bent nog niet jarig
Je hebt bijna alles, toch geef ik je iets
Een dag als een bloem in de vaas op tafel
Een dag als vandaag krijg je voor niets




Se ha ganado nada y no es mi cumpleaños
No es necesario, pero te doy algo
Y si alguna vez tengo nada a cambio
Eso está bien, te doy mis sueños a cambio de nada

Mis sueños son mucho más profundas y más hermosas que antes
Desde que te vi de repente en algún lugar
Te conozco una semana, pero puedo tener sueños
Y yo lo veo todos los días

Los sueños que vienen desde el interior de
Nace de la alegría, la felicidad y la tristeza
El deseo de astilla, una parte de sí mismo
Que por lo general oculta antes de que nadie ve

Un sueño de un niño que nunca hubiera nacido
Cuando sus padres no fueron un error en algún momento
Crece y aprende que vivir para trabajar
Y las obras hasta que se da cuenta de que todavía es algo que falta

Los sueños de alguien que no puede dormir
Un sueño para un hombre que lleva su vida
En la batalla por el más cercano a ser
¿Quién tiene todo, menos el tiempo suficiente

Es hora de avellana, principios de la primavera
Un sueño de la luz verde de un árbol en flor
Sueños como gotas de manzanas de color rojo fuego
Una sucursal está floreciendo en la casa donde vivo

Aromas y colores adornan el mundo
Para alguien que no es el vuelo real
Cuando se pone el sol, el cielo en la tierra
Y los mosquitos bailan muy alto en el cielo

Se ha ganado nada y no es mi cumpleaños
Usted tiene casi todo, pero te doy algo
Un día como una flor en el florero sobre la mesa
Un día como hoy que te pasa por no

viernes, 5 de noviembre de 2010

Ik zou wel eens willen weten

Ik zou wel eens willen weten
(Jules de Corte)
Ik zou wel eens willen weten, waarom zijn de bergen zo hoog
Misschien om de sneeuw te vergaren
Of het dal voor de kou te bewaren
Of misschien als een veilige stut voor de hemelboog
Daarom zijn de bergen zo hoog
Ik zou wel eens willen weten, waarom zijn de zeeen zo diep
Misschien tot geluk van de vissen
Die het water zo slecht kunnen missen
Of tot meerdere glorie van God die de wereld schiep
Daarom zijn de zeeen zo diep
Ik zou wel eens willen weten, waarom zijn de wolken zo snel
Misschien dat 't een les aan de mens is
Die hem leert hoe fictief een grens is
Of misschien is het ook maar eenvoudig een engelenspel
Daarom zijn de wolken zo snel
Ik zou wel eens willen weten, waarom zijn de mensen zo moe
Misschien door hun jachten en jagen
Of misschien door hun tienduizend vragen
En ze zijn al zo lang onderweg naar de vrede toe
Daarom zijn de mensen zo moe

Me gustaría saber por qué las montañas son tan altas Tal vez la nieve recogida O el valle del almacén frigorífico O tal vez como un cielo seguro para el apoyo de arco Por lo tanto, las montañas son tan altas Me gustaría saber, ¿por qué el mar tan profundo Tal vez la felicidad de los peces Que el agua es tan malo perder Ya sea la mayor gloria de Dios que creó el mundo ¿Por qué el mar tan profundo Me gustaría saber por qué las nubes lo más rápidamente Tal vez sea una lección para el hombre ¿Quién le enseña un límite ficticio O tal vez es incluso un simple juego de los ángeles Por lo tanto, las nubes lo más rápidamente Me gustaría saber por qué la gente está tan cansada Tal vez su caza y la caza O tal vez debido a sus diez mil preguntas Y son tan largo camino para asegurar la paz ¿Por qué la gente está tan cansada

lunes, 4 de octubre de 2010


'Get
Bekijk de video in andere formaten.



Una nueva forma de aprender.

domingo, 5 de septiembre de 2010

Het water des levens




De gebroeders Grimm - KHM 097

Er was eens een koning en die werd zo ziek, dat niemand dacht, dat hij er het leven nog af bracht. Maar hij had drie zonen, en die waren er heel bedroefd over, ze gingen naar de tuin van ‘t kasteel en huilden. Daar kwamen ze een oude man tegen en die vroeg naar de oorzaak van hun verdriet. Ze vertelden hem, dat hun vader zo ziek was, dat hij wel zou sterven, want niets hielp hem. Toen zei de oude: "Dan weet ik nog één middel, en dat is het levenswater; drinkt hij daarvan, dan wordt hij weer gezond, maar het is moeilijk te vinden." De oudste zei: "Ik zal het wel vinden," en hij ging naar de zieke koning en vroeg verlof om weg te gaan om het levenswater te zoeken, want dat was het enige dat hem genezen kon. "Nee," zei de koning, "daar is teveel gevaar bij, ik wil liever sterven." Maar hij smeekte zo lang, tot de koning erin toestemde. Maar de prins dacht in zijn hart: "Als ik het water breng, dan vindt mijn vader mij het liefst en dan zal ik het rijk erven."

Dus maakte hij zich reisvaardig, en toen hij een tijd gereden had, stond er een dwerg op de weg, die riep hem zo aan: "Waarheen ga je zo snel?" "Dom wezen," zei de prins zeer trots, "heb jij daar iets mee te maken?" en hij reed verder. Maar het kleine ventje was boos geworden en had een kwade wens gedaan. Kort daarop kwam de prins terecht in een bergkloof, en hoe verder hij reed, hoe dichter de bergen naar elkaar toe kwamen, en eindelijk werd de weg zo smal, dat hij geen stap meer verder kon; het was niet mogelijk het paard te keren of uit het zadel te gaan, hij zat daar gevangen. De zieke koning wachtte lang op hem, maar hij kwam niet terug. Nu zei de tweede zoon: "Vader, laat mij dan op reis gaan om het levenswater te zoeken," en zijn gedachte was: "Als mijn broer dood is, dan valt het rijk mij ten deel." De koning wilde hem in het begin ook niet laten gaan, maar hij gaf toe. De prins trok toen langs dezelfde weg, die zijn broer gegaan was, en hij zag ook die dwerg die hem aansprak en vroeg, waar hij zo gauw heen wilde. "Klein mormel," zei de prins, "wat heb jij daar mee nodig?" en hij reed zonder om te kijken verder. Maar de dwerg verwenste hem en evenals de vorige kwam hij in een kloof terecht en kon tenslotte niet vooruit en niet achteruit. Maar zo gaat het als je te trots bent.

Maar toen de tweede zoon ook wegbleef, bood de jongste aan om weg te reizen en het levenswater te halen, en tenslotte moest de koning hem laten gaan. Hij ontmoette de dwerg en toen die vroeg, waarom hij zo’n haast had, hield hij in, gaf hem antwoord en zei: "Ik zoek het levenswater, want mijn vader is dodelijk ziek." "Weet je ook waar dat te vinden is?" "Neen," zei de prins. "Omdat je zo behoorlijk antwoord geeft, zoals het hoort, niet zo overmoedig als die twee broers van je, zal ik je inlichten en vertellen, hoe men bij het levenswater komt. Het stijgt omhoog uit de bron van de tuin van een betoverd slot, maar je komt er nooit in, als ik je geen toverstaf geef en twee broodjes. Met de staf sla je driemaal op de ijzeren poort van het slot, en dan gaat die open; daarbinnen liggen twee leeuwen met opengesperde muil, als je in elke muil een broodje gooit, worden ze kalm. Haast je dan en haal het levenswater vóór het twaalf uur slaat, want dan valt de poort weer dicht, en dan ben je opgesloten." De prins bedankte hem, nam de staf en de broodjes en ging op reis. En toen hij er aankwam, toen was alles, zoals de dwerg gezegd had. De poort sprong bij de derde slag met de staf open, en toen hij de leeuwen elk met een broodje gekalmeerd had, betrad hij het slot en kwam in een grote, mooie zaal; daar zaten betoverde prinsen in, en hij trok de ringen van hun vinger, en dan lag er een zwaard en een brood en dat nam hij mee. En daarop kwam hij in een kamer en daarin zat een mooi meisje, ze was heel blij dat ze hem zag, kuste hem en zei, dat hij haar had verlost en dat hij haar hele rijk zou krijgen, en als hij na een jaar terug kwam, zouden ze bruiloft vieren. En ze vertelde hem ook, waar de bron was van het levenswater, maar hij moest zich haasten en eruit putten, voor het twaalf uur sloeg. Weer ging hij verder en hij kwam in een kamer waarin een lekker fris bed stond, en omdat hij moe was, wou hij eerst een beetje slapen. Dus ging hij naar bed en sliep in; toen hij wakker werd, was het kwart voor twaalf. Geschrokken sprong hij op, liep naar de bron en schepte daaruit met een beker die ernaast stond en snelde zo gauw hij kon weg. Juist toen hij de ijzeren poort uitging, sloeg het twaalf uur en de poort bonkte zo haastig dicht, dat die hem nog een stukje van zijn hiel afsloeg.

Maar hij was blij, dat hij het levenswater gekregen had; hij ging naar huis en kwam weer langs de dwerg. Toen die het zwaard en het brood zag, zei hij: "Daar heb je wat belangrijks meegekregen, met het zwaard kun je hele legers overwinnen en dat brood raakt nooit op." Maar de prins wou zonder zijn twee broers niet bij zijn vader terugkomen, en zei: "Lieve dwerg, kun jij niet zeggen waar mijn twee broers zijn? Ze zijn vóór mij het levenswater gaan zoeken en ze zijn niet teruggekomen." "Die zitten ingesloten tussen twee bergen," zei de dwerg, "daarin heb ik ze verwenst, omdat ze zo overmoedig waren." Toen smeekte de prins net zo lang, tot de dwerg hen weer losliet, maar hij waarschuwde hem en zei: "Pas voor hen op, want ze hebben geen goed hart."

Toen zijn broers kwamen, was hij heel blij en vertelde hun, hoe het met hem gegaan was, dat hij het levenswater gevonden had en er een beker vol van had meegenomen, en een mooie prinses verlost had die een jaar op hem wilde wachten, en dan zou de bruiloft gehouden worden en dan kreeg hij een groot rijk. Samen reden ze verder en kwamen bij een land, waar honger en oorlog was en de koning dacht al dat hij zich over moest geven, want de nood was groot. De prins ging naar hem toe en gaf hem het brood, waarmee hij zijn hele rijk te eten geven kon; ook gaf de prins hem het zwaard, en daarmee versloeg hij de legers van zijn vijanden en kon voortaan in rust en vrede leven. Nu nam de prins zijn brood en zijn zwaard weer terug, hij had nu drie rijken gered. En toen gingen ze aan boord van een schip en voeren over zee. Gedurende de zeereis praatten de twee oudsten met elkaar: "Hij, onze jongste broer heeft het levenswater gevonden, en wij niet; nu zou vader hem daarvoor het rijk kunnen geven dat ons toekomt, en zo zal’ hij ons geluk wegnemen." Ze werden wraakzuchtig en spraken af, dat ze hem in ‘t verderf zouden storten. Ze wachtten tot hij vast in slaap was, ze goten toen het levenswater uit zijn beker en namen het voor henzelf, en in de beker goten ze voor hem zout zeewater.

Toen ze nu thuis kwamen, bracht de jongste aan de zieke koning zijn beker, zodat hij er van kon drinken en weer gezond worden. Maar nauwelijks had hij een beetje van dat zoute water gedronken, of hij werd nog zieker dan eerst. Hij jammerde daarover en intussen kwamen de twee oudste zoons en klaagden de jongste aan, omdat die hem had willen vergiftigen; zij brachten hem het echte levenswater; en toen gaven ze het hem. Nauwelijks had hij daarvan gedronken, of hij voelde zijn ziekte verminderen, en hij werd sterk en gezond als in zijn jonge dagen. Samen gingen ze nu naar de jongste, en bespotten hem, zeggend: "Je hebt weliswaar het levenswater gevonden, maar jij had de moeite en wij het loon; je had verstandiger moeten zijn en je ogen open houden; we hebben het van je weggenomen, terwijl je op zee was ingeslapen; en over ‘n jaar gaat één van ons de mooie prinses halen. Maar pas op dat je er niets van vertelt, vader gelooft jou toch niet; en zeg je een enkel woord, dan verlies je bovendien nog je leven; maar als je zwijgt, zullen we je in leven laten." Nu was de oude koning boos op zijn jongste zoon en dacht dat die hem naar ‘t leven had gestaan. Dus liet hij ‘t hof bijeenroepen en ‘t vonnis uitspreken, dat hij in alle stilte zou worden gedood. Als de prins eens op een keer op jacht zou gaan en niets kwaads vermoedde, dan moest één van de jagers van de koning meegaan. Buiten waren ze heel alleen in ‘t bos. De jager zag er zo treurig uit, dat de prins tegen hem zei: "Lieve jager, wat scheelt eraan?" De jager zei: "Dat kan ik niet zeggen en toch moet ik het." De prins zei: "Spreek maar gerust, wat het ook is: het is je bij voorbaat vergeven." "Ach," sprak de dienaar, "ik moet u doden, het is het bevel van de koning." Nu schrok de prins en sprak: "Lieve jager, laat mij leven, dan geef ik u mijn prinselijk gewaad, geef mij uw simpele jagersmantel." De jager zei: "Dat zal ik graag doen, ik had toch niet op u kunnen schieten." Toen ruilden ze hun kleding, en de jager ging naar huis; maar de prins ging dieper het bos is.

Een poos later kwamen er bij de oude koning drie wagens aangereden vol goud en edelstenen: een zending van de drie koningen, die met behulp van het zwaard van de prins de vijanden hadden verslagen en met zijn brood het land hadden gevoed, en die nu hun dankbaarheid wilden tonen. Toen dacht de oude koning: "Zou mijn zoon onschuldig zijn geweest?" en hij zei tegen zijn hovelingen: "Was hij nog maar in leven, het doet mij verdriet dat ik hem heb laten doden." "Hij leeft nog," zei de jager, "ik kon het niet over mijn hart verkrijgen, uw bevel uit te voeren," en hij vertelde de koning, hoe het gegaan was. De koning was het een pak van ‘t hart en hij liet overal in ‘t rijk bekend maken, dat zijn zoon weer terug mocht keren en in genade zou worden aangenomen.

De verre prinses liet intussen een toegangsweg naar haar slot maken, met glanzend goud geplaveid, en ze zei tegen haar hofhouding: wie daar spoorslags op zou komen aanrijden, die was de ware en hem moesten ze binnenlaten, maar iemand die daarnaast reed, dat was de ware niet en hem mochten ze ook niet binnenlaten. Toen de tijd nu bijna verstreken was, wilde de oudste zoon zich haasten, snel naar de prinses gaan, en zich uitgeven voor hem die haar bevrijd had; want dan kon hij met haar trouwen en heer worden over haar rijk. Dus reed hij weg, en toen hij bij het slot kwam en die mooie gouden straat zag, dacht hij: "Het zou zonde zijn om daarop te rijden," en hij week af en liet zijn paard er rechts naast stappen. Maar voor de toren zeiden de wachters, dat hij de ware niet was en hij moest maar weer weggaan. Spoedig daarna kwam de tweede prins aan, en toen hij de gouden straat bereikte en het paard er de eerste hoef op gezet had, dacht hij: "Het zou zonde zijn, hij kon er wat afslaan," en hij hield de teugel in en boog het paard zijwaarts en reed aan de linkerzijde naast de straat. Maar toen hij bij de poort kwam, zeiden de mensen, dat hij de ware niet was, en hij moest maar terug gaan. Maar toen het jaar precies om was, wilde de derde zoon uit ‘t bos naar zijn geliefde rijden en bij haar zijn verdriet vergeten. Dus maakte hij zich op en, voortdurend aan haar denkend en verlangend al bij haar te zijn, zag hij de gouden straat niet eens. Zijn paard stapte er midden over, en voor de poort gekomen zag hij die opengaan en de prinses ontving hem met vreugde, zei dat hij haar verlosser was en heer van haar rijk, en de bruiloft werd gehouden in groot geluk. En toen alles voorbij was, vertelde ze hem dat zijn vader hem ontboden had en hem vergiffenis had geschonken. Hij reed erheen en vertelde hem alles, hoe zijn broers hem hadden bedrogen en hij daarover gezwegen had. De oude koning wilde hen straffen, maar ze waren met een schip weggevaren en kwamen van hun levensdagen niet meer terug.